In Rillaar genoten in 2024 meer dan 400 mensen van de evocatie ‘Bitterzoet’.
Gedurende twee uur wekten bijna honderd acteurs het brute, maar ook bij momenten gezellige, bestaan van de arbeiders tot leven in een spectaculaire voorstelling.
Het was al weer drie jaar geleden dat er nog een evocatie plaatsvond in Aarschot, toen werden in Gelrode de heldendaden van Pastoor Dergent belicht.
Wie de evocatie met zijn eigen ogen wil bekijken kan nog morgenavond en zaterdag terecht aan het Chiroheem in Rillaar.
Ilse De Keyser, boekenschrijfster, is één van de co-auteurs van het verhaal.
Tekst Koen Huybens en Ilse De Keyzer
Regie Geert Van den Broeck
Rillaar, begin 20ste eeuw, loopt in september-oktober haast leeg.
De levenslustige gemeente verandert in een ‘dorp van gesloten blinden’. Mannen, vrouwen en ook kinderen verlaten hun huizen om als seizoenarbeiders in Wallonië bij de grote boeren de bietenoogst te doen in vaak mensonwaardige omstandigheden.
Immers in de periode 1850-1960 was er in het Hageland, en ook in Rillaar dat in het midden ervan ligt, geen werk.
Gezinnen, vaak met veel kinderen, raakten nauwelijks rond met hun inkomen.
De gezondheidszorg stond nog niet op punt.
Naar school gaan was niet belangrijk.
Wie kon werken moest werken.
Als seizoenarbeider, in de klein biet, de graanoogst, de grote biet. Het leven van de seizoenarbeider en zijn gezin was bitterzoet.
Bitter door de loodzware arbeid in weer en wind, de slechte arbeidsomstandigheden, de povere huisvesting, zoals slapen in een koeienstal, het niet al te beste eten.
Zoet door het samenhorigheidsgevoel in het dorp, de hechte vriendschappen, met af en toe een stevige ruzie, de kermis.
In ‘Bitterzoet, het verhaal van de seizoenarbeider’ beleef je met vader Beire, de jonge Nest en Mon, de norse ploegbaas Gène, de vriendelijke ‘placeur’ Frans van Gukke Vos, vrijbuiter Gerrit, Germaine, die de orde op het veld en in de stal houdt en vele andere boeiende figuren, de fanfare, dansgroep en een koor, het leven en de avonturen van deze groep uitermate boeiende mensen. Reis met hen, voorzien van de ‘walenzak’, naar de ‘biet’.
Rillaar was van het midden van de 19de eeuw tot in de jaren 1960 een echt seizoenarbeidersdorp. Seizoenarbeiders oogsten en dorsten graan, werkten in ‘den biet’ en plukten erwten en bonen, maar ze werkten ook in conserven- en suikerfabrieken, als steenbakkers en in de mijnen.
(dank aan “Het Gasthuis” voor de tekst)